Je merkt dat de sensorische informatieverwerking bij je kind verstoord is als je kind opvallend, ongepast of afwijkend gedrag vertoont. Mogelijke symptomen: 

>     zich vaak angstig, onveilig voelen, angst om te bewegen, om opgetild te worden of te vallen

>     geen gevaar zien 

>     moeilijk stil kunnen zitten, veel wiebelen, overbeweeglijk 

>     veel vallen of struikelen, onhandig overkomen, houterig bewegen 

>     niet willen aangeraakt/geknuffeld worden 

>     materialen zoals zand, vingerverf, ... vermijden 

>     kleding als vervelend of pijnlijk ervaren 

>     douchen, afdrogen, haar wassen/kammen, aankleden onprettig vinden of de situatie vermijden 

>     extreem reageren op geluiden of licht 

>     moeite met situaties waar veel prikkels vanuit omgeving komen (kinderfeestje, zwemles, …)

>     snel afgeleid zijn door visuele of auditieve stimuli, moeite met het volhouden of afwerken van een taak

>     vaak iets vergeten 

>     vaak boos, verdrietig, teruggetrokken, afwachtend of dromerig, driftbuien, weinig zelfvertrouwen

 

 Problemen met sensorische informatieverwerking komen veel voor bij kinderen met:

      ASS

      ADHD, ADD

      Hersenletsels, vb. Cerebrale Parese

      Zintuiglijke afwijkingen (slechthorend, slechtziend)

 

      Vertraagde ontwikkeling

 

Sensorische informatieverwerking is het vermogen om informatie met onze zintuigen op te nemen, te selecteren en te verwerken, zodat er (motorisch) adequaat op gereageerd kan worden. De zintuiglijke prikkelverwerking is de samenwerking tussen waarnemen en bewegen.

 

Om goed te functioneren in het dagelijks leven is het dus belangrijk dat de zintuigprikkels juist verwerkt worden zodat het kind correct kan reageren op een alledaagse prikkel.

  

Sommige kinderen echter gaan informatie verkeerd interpreteren waardoor prikkels te sterk of te zwak worden waargenomen. Deze kinderen kunnen daardoor niet adequaat reageren, wat zich uit in hun gedragingen, emoties, motoriek of spel. Ze gaan ondergevoelig of overgevoelig reageren, gaan situaties vermijden en er kan angst ontstaan. De omgeving herkent het afwijkend gedrag ook niet altijd als sensorisch gedrag.

  

Het is belangrijk dat een kind sensorisch in balans is om beter te kunnen functioneren. Ergotherapie kan hierbij helpen. De ergotherapeut bekijkt eerst waar het probleem zich in de prikkelverwerking situeert en leert het kind vervolgens omgaan met verschillende prikkels zodat de alledaagse activiteiten zonder problemen uitgevoerd kunnen worden. Via spelvorm en doelgerichte activiteiten kunnen prikkels aangeboden worden waarop het kind in een veilige situatie leert adequaat te reageren op de prikkels. De ergotherapeut kan ook advies geven naar omgevingsaanpassingen en hulpmiddelen toe of leert het kind compenserende strategieën aan.